Hoe roept een docent faalangst op?

Fluitend gaat Ben naar school. Hij heeft er weer zin in. ‘Zal ik 4 HAVO een S.O. geven?’ vraagt hij zich af. ‘Misschien worden ze dan een beetje rustiger.’ Hij verkneukelt zich over het idee Marcel voor de klas te overhoren: ‘Die heeft het vast niet geleerd.’ overweegt Ben, ‘Als hij afgaat voor de klas, zal ‘ie wel dimmen.’ Sophie uit 1C fietst hem voorbij: “Meneer, heeft u het proefwerk nagekeken?” Ben lacht: “Dat zou mooi zijn, hè?” antwoordt hij in het vage. Het derde uur komt 1C nieuwsgierig de klas binnen. “Meneer krijgen we ons proefwerk terug?” “Nee, maar als je gauw gaat zitten, lees ik de cijfers voor.” Cijfers tellen. Zeker bij brugklassers en ook met name aan het eind van het jaar. Als er iets is dat leerlingen geleerd hebben op de basisschool, is het wel product-gericht te zijn. “Bart: 7, Victor: 9, Marianne een 1. Je moet eens leren fatsoenlijk te schrijven. Dat handschrift van jou…! Daar kan ik niets van maken. Ja, alleen hoofdpijn!” De hele klas lacht. Als het stil is, leest Ben verder. Degenen die een goed cijfer hebben gehaald, zijn tevreden. Voor hen is de kous af. Leerlingen die een onvoldoende gehaald hebben, willen dat niet altijd onder ogen zien. Een docent die proefwerken niet terug geeft, komt daar mooi aan tegemoet. En Ben voelt zich daar goed bij; zijn voorbereiding voor volgend jaar is al weer klaar; want niemand is er in geslaagd een proefwerk achterover te drukken. Vroeger had hij ordeproblemen, maar die weet hij nu wel de kop in te drukken. Als het uit de hand lijkt te lopen, dreigt hij: “Als jullie nu niet stil zijn, krijgen jullie een S.O.!”

Hoe meer je op Ben lijkt, hoe beter je faalangst oproept bij je leerlingen. Laten we eens kijken welke troeven je als docent in handen hebt.

Kennis is macht

Het geeft docenten natuurlijk een heerlijk machtsgevoel wanneer zij de enigen zijn die weten wanneer iets getoetst wordt, op welke manier en welke criteria daar op los gelaten worden. Je kunt veilig een slag om de arm houden als je vantevoren niet aangeeft wat je criteria zijn. Dat geeft je bijvoorbeeld de mogelijkheid om een klas waar je graag les aan geeft te belonen voor hun goede gedrag en een lastige groep de wacht aan te zeggen. Kondig dus nooit een S.O. aan. Overhoor incidenteel leerlingen voor de klas. Dreig met overhoringen en geef ook S.O.’s wanneer je al een tijdje met de les bezig bent, zodat je je leerlingen lekker overvalt. Verzet een proefwerk op het moment dat je het eigenlijk zou geven. En je zult de hoofdrolspeler zijn in de nacht- èn dagmerries van je leerlingen.

Criteria en faalangst

Om iets te kunnen beoordelen, hebben we criteria nodig. Ontbreken die criteria of bestaat er onduidelijkheid over, kan dat faalangst in de hand werken. Leerlingen die examen moeten doen of een proefwerk moeten maken en niet goed weten waarop ze beoordeeld worden en wanneer ze een voldoende krijgen, worden daar onzeker van. Erge onzekerheid roept faalangst op: De gedachte ‘Ik weet niet of ik het wel haal’ roept bij onzekerheid over de criteria haast automatisch de gedachte op: ‘Ojé, als ik maar niet…’ Waarna gemakkelijk een voorstelling gemaakt wordt van mislukking die gepaard gaat met de bijbehorende angstgevoelens.

Wat vind jij belangrijk ten aanzien van toetsen? Hoe toets je? Een docent roept faalangst op wanneer hij de stof anders toetst dan hij hem aanbiedt en laat leren. Geef je de opdracht om woordjes uit het hoofd te leren en laat je de leerlingen zinnen maken waaruit moet blijken dat ze de betekenis snappen? Geef je ze topografiekaartjes en wijs je -zonder dat te hebben geoefend- op een anders gekleurde kaart van een ander formaat de plaatsen aan? Of geef je namen op papier en moeten ze die met elkaar verbinden? Of geef je ze een blinde kaart en moeten ze daar alles zelf bij bedenken en op invullen?

Dingen uit het hoofd laten leren en vervolgens het kunnen leggen van verbanden toetsen, roept faalangst op. Het klinkt logisch, maar trek je bij een geschiedenisproefwerk punten af voor foute spelling? En bij een opstel?

Voor een proefwerk geschiedenis leerde ik ooit vijf uur, met als resultaat een vijf (anders had ik dat natuurlijk niet onthouden). Ik had een fabelachtig geheugen en het puzzelde me dan ook hoe het kwam dat ik voor een vak als geschiedenis niet zo’n hoge cijfers haalde, want dat leek me juist een vak bij uitstek waar je dingen voor uit je hoofd moest leren. Maar helaas…Tien jaar geleden zat ik op de H.T.S.. En pas daar leerde ik hoofd- en bijzaken te scheiden. Gebruikmakend van dezelfde strategieën als waarmee ik de lagere en middelbare school succesvol was doorgekomen, bereidde ik me voor op mijn tentamen psychologie. ‘Onder alle fietsen ligt geld’ was mijn ezelsbruggetje waarmee ik zelfs nu de fasen die Freud in de persoonlijkheidsontwikkeling onderscheidde, weet te reproduceren (de orale, anale, fallische, latentie en genitale). Zo leerde ik ook zijn 10 afweermechanismen uit mijn hoofd. Vol vertrouwen zag ik het tentamen van mijn lievelingsvak tegemoet. Ik was er klaar voor! Maar wat schetste mijn verbazing?! Op het tentamen kreeg ik die afweermechanismen voorgeschoteld. Kant en klaar… open en bloot… stonden ze daar op de rechterpagina, boven stukjes tekst en cartoons. Ik zie het nog voor me. De opdracht was om in eigen woorden te onderbouwen van welk afweermechanisme in die tekst/cartoon sprake was. Uit deze ervaring destil-leerde ik een belangrijke les.

 

Reageren is niet mogelijk.