De post-moderne school

Misschien kan onze aanpak u op weg helpen. Om tot nieuwe visies te komen hebben wij eerst de huidige stand van zake in het onderwijs als het ‘moderne onderwijs’ bestempeld. Daarna zijn we ons gaan afvragen waarin dit verschilt van alles wat er aan vooraf ging, zoals leren in familie- en stamverband of leren binnen een gilde. Vervolgens keken we welke denkkaders het ‘moderne onderwijs’ in stand houden. Om tot slot via het ‘post-moderne twijfelen’ tot alternatieven hiervoor te komen. De ‘utopische’ visies die daaruit voortvloeien noemen we ‘de post-moderne school’.

Wat meteen opvalt wanneer je onderwijs door de eeuwen heen vergelijkt, is dat het moderne onderwijs door de overheid gestuurd wordt, vanuit ideeën uit de 18e eeuw. In 1798 rapporteerde de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen dat de landelijke overheid moet zorgen voor algemeen nationaal onderwijs, omdat het merendeel der Nederlanders hier niet zelf zorg voor kan dragen (Junger-Tas, 2000). Hoe zit dat anno 2000? Hoe goed, zinvol en legitiem is het de overheid zorg te laten dragen voor het onderwijs?

Ongeacht welk schoolsysteem gehanteerd wordt, is de fundamentele doelstelling van de leerplicht in ieder land dezelfde: alle burgers een basis geven van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor hun professionele en sociale integratie in de samenleving waarvan zij deel uitmaken. De moderne school leidt je op om te werken; het is een arbeidskrachtfabriek waarin het arbeidsvermogen van één leraar gemultipliceerd wordt naar véél leerlingen. In juni verscheen een rapport van professor Junger-Tas voor het ministerie van Justitie over de maatschappelijke functie van het onderwijs. Zij schrijft daar in: “Sinds de jaren ’80 werd het onderwijs echter steeds meer gezien als een arbeidsvoorzieningsinstrument, waarbij de invloed van het bedrijfsleven is gegroeid. Dit ging gepaard met een heel andere waardering van het onderwijs, namelijk veel meer in termen van rendement en opbrengsten. Vanuit een bedrijfseconomische visie worden scholen afgerekend op de resultaten van het ‘product’ dat ze leveren en ze worden meer en meer beoordeeld volgens de standaarden van effectiviteit en efficiency. Daarbij is de pedagogisch-vormende functie van het onderwijs steeds meer onder druk komen te staan.”

We hebben nu een tweede vanzelfsprekendheid ontmaskerd. Wat is het tegenovergestelde van een arbeidskrachtfabriek? Dat is een school waar je als individuele leerling op je eigen manier dàt leert waar je op dat moment zin in hebt, totaal afgezien van later. Bestaan er bewijzen voor het bestaansrecht van een dergelijke school? Ja, want zo’n school bestaat al lang! In meerdere vormen en op diverse plekken zelfs. Neill richtte in Engeland in 1921 Summerhill op. Hij leerde zijn leerlingen in de eerste plaats om ‘te leven’. Geïnspireerd door zijn ideeën stichtte Bert Kouwenberg in Den Haag de La Reyschool: een basisschool. In 1971 waren er in Noorwegen en Denemarken vier Experimentele Gymnasia; geïnitieerd door ontevreden leerlingen die ook door Neill’s ideeën werden geïnspireerd. En in 1983 ontstond –gebaseerd op hetzelfde gedachtegoed– de leefwerkschool Eigenwijs in Nijmegen. Om er maar een paar te noemen.

 

Reageren is niet mogelijk.